Portretfotografie als exposuretherapie
Mensen denken vaak dat fotografen vanzelf sociaal sterk zijn. Spontaan, zelfzeker en moeiteloos in contact. Maar dat beeld klopte voor mij lange tijd niet. Al van bij het begin van mijn studies aan Narafi waren sociale angsten een constante aanwezigheid. Sociale situaties vroegen veel energie, en het voelde vaak veiliger om wat op de achtergrond te blijven. Fotografie gaf eerst net dat: een veilige afstand. Achter de camera observeren in plaats van zelf volledig zichtbaar te zijn.
Maar portretfotografie bleek al snel het tegenovergestelde te doen. Het draait niet alleen om beelden maken, maar om aanwezigheid en contact. Stiltes laten bestaan. Richting geven zonder alles te controleren. Echt in het moment blijven met iemand voor je lens, aandacht hebben voor kleine bewegingen en ademhalingen, en ruimte geven aan wat zich tussen woorden afspeelt.
Zonder dat het zo bedoeld was, werd fotografie een vorm van exposure. Stap voor stap groeide het vertrouwen dat spanning mag bestaan zonder alles te blokkeren, dat het oké is om kwetsbaar te zijn, en dat verbinding niet perfect hoeft te zijn. Die angst zal nooit volledig verdwijnen, maar de relatie ermee veranderde wel: wat ooit verlammend voelde, werd een deel van mijn werkproces dat ik nu kan herkennen en begeleiden.
Vandaag is een foto-shoot daarom geen performance. Wel een rustige ruimte waar er even ademruimte mag zijn — voor mens en beeld — een plek waar we samen mogen zoeken naar eerlijkheid en rust, zonder haast of oordeel.